Wanneer schakelen in de auto: de juiste momenten uitgelegd

Geschreven door:

X
Facebook
LinkedIn

Inhoudsopgave

Bij het schakelen in de auto geldt een eenvoudige vuistregel: schakel op naar een hogere versnelling zodra het toerental tussen de 2000 en 2500 rpm ligt bij een benzinemotor, of tussen de 1500 en 2000 rpm bij een dieselmotor. Schakel terug als je voelt dat de motor moeite heeft of begint te trekken. Op het juiste moment schakelen zorgt voor soepeler rijden, minder slijtage aan de koppeling en een lager brandstofverbruik.

Op welk toerental schakel je op?

De toerenteller is je belangrijkste hulpmiddel. Voor een benzinemotor is het ideale moment om op te schakelen ergens tussen 2000 en 2500 rpm. Rij je met een diesel, dan mag je al eerder schakelen: rond 1500 tot 2000 rpm. Diesel motoren leveren namelijk al bij lage toerentallen genoeg koppel om soepel verder te rijden.

Rij je op de snelweg of wil je snel optrekken, dan mag het toerental iets hoger zijn voor je schakelt. Op rustige wegen en in de stad is vroeg schakelen juist slim: het spaart brandstof en is comfortabeler. Sommige moderne auto’s hebben een schakeladvies op het dashboard (een pijltje omhoog of omlaag), dat geeft aan wanneer schakelen voordelig is.

Per versnelling: wanneer schakel je op?

Als globale richtlijn kun je de volgende snelheden aanhouden voor het opschakelen:

  • 1 naar 2: rond 10 tot 15 km/u
  • 2 naar 3: rond 20 tot 25 km/u
  • 3 naar 4: rond 30 tot 40 km/u
  • 4 naar 5: rond 50 tot 60 km/u
  • 5 naar 6 (indien aanwezig): rond 70 km/u of hoger

Dit zijn richtlijnen, geen vaste regels. De juiste versnelling hangt ook af van de situatie: een helling, belading, of het verkeer om je heen. Voel je dat de motor protesteren, een beetje schudt of trekt, dan zit je in een te hoge versnelling en moet je terugschakelen.

Wanneer schakelen in de auto terugschakelen?

Terugschakelen doe je als je snelheid verliest en de motor niet meer soepel loopt in de huidige versnelling. Dat merk je doordat de auto begint te schokken of de motor moeizaam overkomt. Bij het naderen van een kruispunt, rotonde of bocht schakel je terug zodat je genoeg vermogen hebt om veilig verder te rijden of snel te kunnen optrekken als dat nodig is.

Een veelgemaakte fout is te lang in een te hoge versnelling blijven rijden bij lage snelheid. De motor moet dan harder werken dan nodig, wat slijtage geeft. Andersom geldt ook: te lang in een lage versnelling blijven bij hoge snelheid kost onnodig veel brandstof en is harder voor de motor.

Schakelen in bijzondere situaties

Op een steile helling oprijden vraagt om een lagere versnelling dan normaal. In de derde in plaats van de vierde versnelling houd je de motor in zijn krachtigste bereik en voorkom je dat je steeds gas moet bijgeven. Rij je bergaf, schakel dan ook terug: motorremming helpt je snelheid te beheersen zonder de remmen te overbelasten.

In de stad wissel je vaker tussen versnellingen dan op de snelweg. Rij je achter langzaam verkeer of kom je steeds bij stoplichten, dan is het soms slim om een versnelling over te slaan. Van de tweede direct naar de vierde, bijvoorbeeld, als je snel snelheid hebt opgebouwd. Dat heet overslaan en is volkomen normaal als het toerental dat toelaat.

Bij het remmen hoef je niet altijd te schakelen voor je stilstaat. Je kunt ook in een hogere versnelling remmen tot je bijna stilstaat en dan de koppeling indrukken. Zo gebruik je de remmen efficiënt en slijt je de koppeling minder snel.

Kort samengevat: kijk naar je toerenteller, luister naar de motor en schakel vroeg op bij rustig rijden. Zo rij je zuinig, soepel en met zo min mogelijk slijtage. Met een beetje oefening voelt het juiste moment vanzelf aan.

Over de auteur

Andere items